Liturgie in beeld: De priester tilt het lectionarium op

In de viering van de eucharistie worden gewoonlijk drie gedeeltes (‘perikopen’) uit de Bijbel gelezen. Meestal komt de eerste lezing uit het Oude Testament, de tweede uit één van de brieven uit het Nieuwe Testament, en de derde lezing uit een van de vier Evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas of Johannes. Na de eerste en tweede lezing zingen koor en gemeente een gedeelte uit een psalm die wat er gelezen is aanvult of onderstreept.

De keuze van de schriftlezingen is niet een persoonlijke voorkeur van de voorganger, maar volgt het kerkelijke jaar met een rooster van drie jaren A, B en C. Het leesrooster begint met de Advent, Kerstmis en Epifanie, wordt vervolgd met de veertigdagentijd, Pasen en Pinksteren, en voltooit het jaar met de zondagen na Pinksteren. Het leesrooster heet ‘lectionarium’ en dat is ook de naam geworden van het boek waarin de selectie van de lezingen staat afgedrukt. En zoals veel of misschien zelfs alles in de gewijde ruimte van de kerk niet alleen een praktische gebruikswaarde heeft, maar vooral ook een symbolische waarde die verwijst naar Gods aanwezigheid in onze wereld en in de vierende gemeente, zo geldt dat ook voor het lectionarium.

Optillen als eerbetoon aan God

De derde lezing, die uit het Evangelie, krijgt tijdens de viering bijzondere aandacht. De lezing wordt ingeleid met een gezongen halleluja bij de psalmverzen en de diaken of priester kan het boek bewieroken. De lezing zelf wordt ingeleid met de dialoog tussen voorganger en gemeente: “De Heer zij met u” – “En met uw geest” – “Lezing uit het heilig Evangelie naar de beschrijving van …” en afgesloten met een acclamatie, meestal “U komt de lof toe, U het gezang…”. Bij dit laatste kan de diaken of priester het boek met de schriftlezingen optillen en als het ware de gemeente nog voorhouden, zoals de foto laat zien. Dat is niet zozeer om de gemeente te vermanen om het gehoorde ook serieus te nemen en er gevolg aan te geven in het persoonlijke en maatschappelijke leven. Het optillen van het boek is bedoeld als eerbetoon aan God, die zijn Woord tot ons spreekt en die in zijn Zoon als mens ons bestaan is komen delen.

Het optillen van het boek met de schriftlezingen kun je vergelijken met het verheffen van het gezegende brood en wijn in het eucharistisch gebed. Ook daar wordt God dank gezegd om alles wat Hij voor ons heeft gedaan, in het bijzonder voor het leven, sterven en verrijzen van zijn Zoon, Jezus Christus. Vanuit de dankzegging aan God vraagt de kerk in het eucharistisch gebed om de gave van de heilige Geest over brood en wijn en over diegenen die die gaven met elkaar delen. De gemeenschap die de kerk vormt is de gemeenschap met Christus en met elkaar, de gemeenschap der heiligen van alle tijden en plaatsen. Met het opheffen van brood en wijn aan het einde van het gebed viert de gemeente tegelijkertijd de voltooiing van Gods koninkrijk, die door het drie keer “amen” wordt bevestigd. Van het scheppingsverhaal op de eerste pagina van de Heilige Schrift tot en met de roep ‘Maranatha’ om de spoedige komst van de verrezen Heer viert de kerk in het heden haar verlossing door God die in zijn Woord tot ons spreekt.