“Het is een waagstuk om de bevrijdende God van Israël present te stellen”  

Mgr. dr.  Dirk Jan Schoon (67) is geen man die snel een te grote broek zal aantrekken. Hij spreekt met bescheidenheid en relativering over het christelijk geloof in de hedendaagse samenleving, de plaats van de Oud-Katholieke Kerk en zijn functioneren als bisschop van Haarlem. Dick legt op zaterdag 27 juni de bisschopsstaf op het altaar van de kathedrale kerk van de HH. Anna en Maria, een symbolische handeling die aangeeft dat de bisschopszetel vacant wordt tot er een opvolger is gekozen. Op de vraag wat hij als emeritus-bisschop nog het meeste gaat missen, volgt een lange stilte. “Misschien de bijzondere vieringen zoals het vormsel en priesterwijdingen?”, probeert Dicks vrouw Lidwien, zelf ook theoloog met wie hij al een leven lang een onafscheidelijk duo vormt.   

Een gesprek met Dick verloopt altijd levendig, gevuld met aanstekelijke anekdotes, pretoogjes en wijze commentaren. Met grote regelmaat wordt een afslag naar het verleden genomen, gevoed door zijn passie voor kerkgeschiedenis, het vak waarin hij als docent aan het Oud-Katholiek Seminarie nog enige tijd blijft lesgeven. Alhoewel hij als bisschop en theoloog van harte pleit voor een kerk die midden in de wereld staat, zal hij de laatste zijn om de historische wortels van de Oud-Katholieke Kerk te vergeten. Al is het maar om te blijven werken aan het herstel van een ‘kerkelijk bedrijfsongeluk’ in 1723: het conflict tussen Hollandse katholieke geestelijken en het Vaticaan over de verkiezing en wijding van een nieuwe aartsbisschop die leidde tot een pijnlijke splitsing. Bij een recent bezoek aan het Vaticaan met een oecumenische delegatie uit ons land stak Dick even zijn hoofd om de hoek van het kantoor van de secretaris die zich met het dossier van de oud-katholieken bezighoudt. “Wie weet kan ik nog voor wat smeerolie zorgen om de relatie met de Roomse kerk te verbeteren” (lacht, red.) . 

Charisma 

We spreken elkaar na de oecumenische Pinksterdienst in de Grote Sint Bavokerk in Haarlem waarin hij de preek verzorgde. Hij kon een grijns niet onderdrukken toen hij werd verwelkomd als de bisschop die ‘in vol ornaat’ aanwezig was. “Ik had nota bene mijn mijter en bisschopsstaf thuisgelaten dus vond zelf dat ik best sober gekleed ging.” Het blijft hem boeien en verbazen hoe hij in zo’n oecumenisch gezelschap steevast als een soort eregast behandeld wordt. “Ik ben bisschop van een heel klein bisdom. Toch blijft dat bisschopsambt tot de verbeelding spreken. Het heeft een soort natuurlijk charisma.” Dat er in de monumentale Haarlemse kerk niet veel meer dan zo’n tweehonderd mensen waren, gaf wel weer reden tot zorg, al zei burgemeester Jos Wienen na afloop dat Haarlem tot een van de meest geseculariseerde steden van Nederland wordt gerekend. Dick: “Een oud-katholieke collega-bisschop heeft eens gezegd: ‘In de vorige eeuw werd God cultureel overbodig, nu is God existentieel overbodig’. Ik zie het aan de mensen om mij heen die niets met de kerk hebben. Die lijken vaak heel gelukkig. Voor mij biedt de kerk iets dat nergens anders te vinden is. Zoals de gemeenschap die je ervaart in het vieren van de liturgie. Ik weet niet hoe de kerk er in de toekomst precies uit gaat zien. We blijven Gods woord verkondigen. Het verhaal gaat hoe dan ook door.” 

Nostalgie 

Dick vervalt niet in valse nostalgie wanneer hij terugdenkt aan de kerk van zijn kinderjaren, toen hij opgroeide in IJmuiden waar de oud-katholieke parochie 2.500 zielen telde en daarom gesplitst werd. Misschien ook omdat zijn vader niet kerkelijk was en zijn grootmoeder tijdens zijn priesterwijding wel in de kerk was, maar meewarig haar hoofd schudde. Zij had de kerk ooit verlaten omdat ze naar socialistische dominees ging luisteren en naast de Bijbel graag Multatuli las. Dat de oud-katholieken van IJmuiden meer praktisch waren ingesteld en het liefst zagen dat de preek niet al te lang duurde, heeft Dick ook wel met enige nuchterheid gestempeld. “Ik vond de sfeer in de kerk van jongs af aan heel fijn en heb van alles en nog wat gedaan. Als jongetje zong ik mee met het koor en stond ik op een prullenbak om boven de balustrade uit te komen. Ik heb wel een keer een soort religieuze ervaring gehad toen ik als misdienaar in de avonddienst van Witte Donderdag wierook oplegde en bij dat simpele dienende gebaar dacht: “Dit is het.”  

Relativering 

De jeugd van Dick was geen vroom jongensboek. Een diep spoor dat in de rest van zijn leven doorwerkte, was de ervaring met een langdurig gezondheidsprobleem. “Ik vertel het eigenlijk nooit, maar tot mijn achttiende ben ik incontinent geweest. Pas toen vonden ze een medische ingreep om dat te verhelpen. Het klinkt nu heftiger dan ik het toen heb ervaren, ik wist gewoon niet beter en werd erg handig om me te redden. Voor één van de operaties in het ziekenhuis lag ik op een zaal met een meisje van wie een been moest worden geamputeerd in een poging om de kanker in haar lijf te stoppen. Vanaf dat moment besloot ik alles aan tegenvallers in mijn eigen leven te relativeren. Dat heb ik ook wel volgehouden, tot op de dag van vandaag. Iedere dag is een onverdiend geschenk van Gods genade waarvan ik volop geniet.”  

Overstag 

Misschien dat hij daarom eerst chirurg wilde worden. Of concertpianist. Het werd psychologie. “Heel voorzichtig ben ik toen aan theologie gaan denken. Als kind heb ik weleens geroepen dat ik pastoor wilde worden omdat ‘hij net zulke schoenen als papa heeft’ (de toenmalige pastoor in IJmuiden, de latere aartsbisschop Antonius Jan Glazemaker, droeg dezelfde zwarte schoenen als zijn vader, red.). Pastoor ok, maar priester? “Nee, dat vond ik iets magisch waaraan ik niet wilde meedoen. Maar toen ik mijn studie afhad en de toenmalige bisschop Geert van Kleef zei dat ik niet zonder priesterwijding pastoor kon worden, ben ik omgegaan. Juist door mijn pastorale werk ben ik later de diepe betekenis van die wijding gaan inzien.”  

Radicaal geloof 

“Een wending in mijn denken was de kennismaking met  de Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor Frankl. In mijn psychologiestudie kwamen allerlei therapie-modellen voorbij die impliciet uitgingen van een bepaald mensbeeld, hoe je gezond was of kon worden. Ik miste daarin het fundament. Frankl wees erop dat je die vraag alleen kon beantwoorden door over zingeving na te denken. Mensen menen vaak dat geloven gaat over het al dan niet erkennen van het bestaan van God. Dat is voor mij niet de kern van het geloof, het gaat erom in welke God je gelooft. In het christelijke geloof is de Joodse traditie dat JHWH God met mensen optrekt geradicaliseerd door zijn menswording in Jezus Christus. Die radicale humaniteit bevrijdt van alle godsbeelden en verslavende afgodendienst.” 

Dienstwerk 

“Het priesterschap trekt verder in dat spoor. Het is een waagstuk om de aanwezigheid van die bevrijdende God in tijd en ruimte present te stellen. Voor mij is het datgene waar het in de liturgie en in het vieren van de sacramenten om gaat. Dat heb ik ook geleerd over de wijding die ik eerst niet wilde. Er zijn mensen nodig die voor dat ‘heilig dienstwerk’ voor en binnen de gemeenschap worden vrijgesteld; je zondert iemand af om haar of hem aan God toe te wijden. Een priester is iemand die iets doet wat niet gewoon is. Dat heb ik het sterkste ervaren tijdens ziekenbezoeken. Je bent als priester niet alleen een hulpverlener die God en geloof in goede woorden of gebed ter sprake brengt. Maar ook iemand die Gods aanwezigheid werkelijk maakt door te zegenen en te zalven. Dat kan genezing brengen, naar lichaam of naar ziel, en dat is meer dan een goede psychotherapie.”  

Wreed 

“Na mijn diaken- en priesterwijding ben ik als assistent begonnen in Amsterdam. Daarna zijn we in 1992 naar IJmuiden verhuisd. Het was de vraag of het verstandig was om naar mijn ‘oude’ parochie terug te gaan, maar het was een oplossing voor een al lang bestaande vacature en het werden vijftien fantastische jaren. Toen er bij mijn afscheidsdienst mensen waren die huilden, realiseerde ik me dat ik in die jaren een stabiele factor was geworden, met name voor de jongeren. Zo heb ik ook de wrede kant van het pastoorsambt ervaren. Je bouwt met mensen in de parochie nauwe banden op, die je bij je vertrek geacht wordt te verbreken om ruimte te maken voor je opvolger. Ik heb mij daar strikt aan gehouden en steevast ‘nee’ gezegd als er vragen kwamen voor een uitvaart of een huwelijk. Meestal begreep men dat wel, maar zelf ervaarde ik het soms als verraad.”  

Pastoor en bisschop 

“In 2007 keerde ik terug naar Amsterdam en werd daar pastoor en deken van het bisdom. Zo heb ik de bestuurlijke dimensie van het kerkelijke bedrijf leren kennen, als rechterhand van de toenmalige bisschop Bert Wirix. Omdat Bert toen al ernstig ziek was, verving ik hem. Zijn overlijden in 2008 dompelde de hele kerk in diepe rouw. Bert was zeer geliefd en liet zijn vrouw en twee nog jonge zoons achter. Eigenlijk stond niemands hoofd naar het kiezen van een nieuwe bisschop en bij de eerste ronde kreeg ik meteen zeventien van de 23 stemmen. Formeel had ik recht op bedenktijd maar vanwege deze brede steun leek het mij arrogant om daar gebruik van te maken. Ik heb de verkiezing daarom meteen aanvaard. Het was soms wel lastig dat ik mijn voorganger niet om raad kon vragen. Dan zit er opeens een paars petje en een mijter in je liturgische koffer maar op welke momenten moet je die nu op- en afzetten?!”  

Nabijheid 

“Ook rond mijn verkiezing klonk de vraag of er nog wel een nieuwe bisschop van Haarlem moest komen en we niet met één (aarts)bisschop konden volstaan. Opvallend genoeg klinkt dat geluid meestal vanuit het aartsbisdom Utrecht (lacht, red.). Haarlem is altijd een klein bisdom geweest. Dat is in overeenstemming met de vroege kerk toen elke stad zijn bisschop had. Dat platte model met korte lijnen tussen de bisschop, de geestelijken en de leken krijgt in het kleine bisdom Haarlem eigenlijk goed gestalte. Bovendien is de aartsbisschop van Utrecht qualitate qua voorzitter van de internationale bisschoppenconferentie van de Unie van Utrecht van oud-katholieke kerken. Dat brengt het nodige werk met zich mee, waardoor het niet gemakkelijk zou worden om leiding te geven aan de hele Nederlandse kerkprovincie. Je zou die internationale rol natuurlijk ook onder de andere bisschoppen kunnen laten rouleren. Maar daarvoor is de historische betekenis van de zetel van Utrecht toch te belangrijk. Ook nu is daarom besloten om een nieuwe bisschop van Haarlem te kiezen.” 

Frontlinie 

“Ik heb van mijn voorgangers geleerd dat je als bisschop vooral niet met allerlei grootse plannen voor groei moet komen. Ik heb mij ook nooit aangesproken gevoeld om als kerk in de frontlinie te staan om nieuwe mensen te werven. Ik hoop dat ik zelf een aanstekelijk geloof uitstraal en ik zie dat ook bij anderen, maar ik heb mij nooit gezien als Chef Bekeringen. Als bisschop heb ik geprobeerd om vooral pastor voor de pastores te zijn, eerste onder mijn gelijken. Achteraf gezien denk ik dat ik soms misschien te aardig was, al is het mij gaandeweg gelukt om wat strikter te zijn. ‘Dick wordt nu wel wat streng’, hoorde ik soms via via mopperend terug. Misschien had ik daar eerder mee moeten beginnen (lacht, red.).”  

Nutteloos 

“Ik zal de soms lange vergaderingen en de bestuurlijke verantwoordelijkheid niet gaan missen, hoewel we in het Synodaal Bestuur met het bisschoppelijke bureau in Amersfoort een fantastisch team hebben. Bij alle zorgen over de achteruitgang van het kerkelijke leven heb ik mij altijd getroost met de gedachte dat de kerk economisch gezien een volstrekt nutteloze onderneming is. Als historicus weet ik goed welke crises er in het verleden allemaal zijn geweest en dat onze tegenstanders dan zeiden: ‘Kijk, het einde is nabij!’ Maar dan kwam er toch altijd weer een creatieve geest of een onverwachte wending. Zo redt onze kleine kerk het al een paar eeuwen heel aardig en zal het ook in de toekomst wel verder gaan. Het grote verhaal is niet van ons, maar wordt aan ons gegeven.”  

Afscheid 

“De voormalige aartsbisschop van Utrecht, Teus Glazemaker zei eens over het bisschopsambt: ‘Als je het voor de eer doet, kom je van een koude kermis thuis’. Ik heb er geen enkele moeite mee om terug te treden en samen met Lidwien verder te gaan. We wonen mooi in Haarlem, met genoeg ruimte voor veel boeken, al zijn er bij de laatste verhuizing wel tweehonderd verhuisdozen met boeken naar het oud papier verdwenen… Er ligt nog het nodige kerkhistorische onderzoek te wachten en ik blijf nog wat internationaal werk doen. Waar ik nog het meeste tegen opzie, is mijn afscheid op 27 juni. Ik ben bang dat er mensen zullen zijn die aardige dingen over mij gaan zeggen. Ik kan best in de schijnwerpers staan, maar dan vooral als het voor anderen is. Ik ben alleen maar dankbaar voor het prachtige werk dat ik heb mogen doen, en dat hoop ik dan met velen te vieren.”