Liturgie in beeld: Intocht met processiekruis

Een kerkdienst in de Oud-Katholieke Kerk is geen willekeurige verzameling van toevallig of voor de gelegenheid gekozen onderdelen, maar heeft een theologisch goed doordachte en door de traditie van eeuwen beproefde ordening. De uitvoering is daarmee in overeenstemming. Tot in detail gebeurt alles met zorg, aandacht en toewijding. Natuurlijk is de uitvoering van de liturgie afhankelijk van wat er plaatselijk mogelijk is: een plechtige misviering in een rijkversierd kerkgebouw ziet er wat anders uit dan een viering in een tent bij één van de jongerenkampen.

En soms gebeurt er ook iets onverwachts, waardoor er geïmproviseerd moet worden: het blijft ook mensenwerk. Maar ondanks alle variatie en plaatselijke verschillen is de grondtoon dezelfde. De gemeente komt samen voor Gods aangezicht om zijn Woord te horen en om in het sacrament van de Eucharistie de gemeenschap met de gestorven en verrezen Heer en met elkaar te delen. Dat zijn ernstige zaken. En dan niet in de zin van loodzwaar, pessimistisch of deprimerend, maar in de zin van ontzagwekkend groots. In een kerkdienst vieren we onze verlossing door het geloof in Jezus Christus.

Meteen al bij het begin van de dienst is die ernstige grondtoon merkbaar. De gemeente zingt een lied, waardoor de individuele kerkgangers zich tot een zingende gemeente formeren. Ze bundelen als het ware hun aandacht en concentratie op wat komen gaat. Tijdens dat zingen komen de voorgangers en andere medewerkers binnen. Die lopen niet in willekeurige volgorde of zoals ze toevallig de ruimte uitkwamen waar ze zich verkleed hebben. De stoet heet ‘processie’, afkomstig van het Latijnse procedere, ‘voortgaan’, denk aan procedure. De stoet wordt geopend door iemand die een kruis draagt, die (niet verrassend) de kruisdrager wordt genoemd. Dit is meestal een misdienaar of acoliet, een van de assistenten van de voorganger in de dienst, die passend gekleed gaan in een toog (meestal zwart, soms rood) en superplie (een wit bovenkleed tot op de knieën met wijde mouwen).

Misdienaar Bert Spoelder draagt het processiekruis

Als er in de dienst wierook wordt gebruikt, gaan de dragers van het wierookvat en van het scheepje waarin de wierrookkorrels zich bevinden nog vooraf aan de kruisdrager. Na de kruisdrager volgen de andere medewerkers aan de dienst: één of twee lectoren, diakens en assisterende priesters. De stoet wordt besloten door de hoofdvoorganger in de dienst. De bisschop of de dienstdoende priester is zodoende altijd de laatste in de stoet en kan door de kerkganger dan ook meteen als zodanig worden herkend. 

In oecumenische kringen waarin men deze vorm van de intochtsprocessie niet kent of gewend is, kan nog wel eens verwarring ontstaan als men vanuit een goed bedoelde beleefdheid anderen laat voorgaan (‘na u, na u’) en bescheiden de laatste plaats inneemt. In Gods koninkrijk zijn de bestaande verhoudingen omgekeerd en is de laatste de eerste. Het is misschien niet correct, maar wel grappig om te bedenken dat de intochtsprocessie in de Oud-Katholieke kerkdiensten daar een voorschot op neemt.