Liturgie in beeld: De voorganger giet water over het hoofd

De foto laat een moment zien uit de plechtigheid waarmee iemand wordt gedoopt. Soms is de dopeling een kind, soms ook – zoals in dit geval – een volwassene. In de eerste eeuwen vond de doop met name plaats tijdens de viering van de Paaswake, waarin de gemeente viert dat zij met Christus opstaat uit de dood om te leven in Gods heerlijkheid. En in sommige kerken gaat de dopeling in een bassin ook helemaal kopje onder, zoals mensen in de vroege kerk ook werden gedoopt.

Het water verwijst naar verschillende Bijbelverhalen, met name naar het verhaal over de uittocht van Israël uit de slavernij van Egypte. Zoals toen het volk droogvoets door het water van de Rode Zee op weg naar het beloofde land ging, zo laat ook nu een christen het oude leven achter zich om door het water op te staan tot nieuw leven. Hij of zij volgt daarmee Christus na. Die liet zich niet alleen ook dopen, door Johannes in de Jordaan, maar hij maakte met zijn dood en verrijzenis ook zo’n doortocht vanuit dit bestaan naar het leven in Gods heerlijkheid. 

Zoals de hele gemeente zich met de vastentijd gedurende veertig dagen voorbereidt op Pasen, zo doet ook de dopeling dat als voorbereiding op zijn of haar doop. Tijdens die voorbereiding wordt de dopeling ingeleid in het geloof. De dopeling leert wat het christelijk geloof inhoudt, wat de doop aan een gedoopte aan geestkracht en genade verleent, en hoe het hem of haar oproept om in de wereld van het heil in Christus te getuigen. 

Om aan te geven dat zo’n doop nooit een strikt individueel gebeuren is, maar deel uitmaakt van het leven van de kerk als gehele gemeenschap, kan de voorbereiding op de doop op bepaalde momenten worden gemarkeerd met een ritueel tijdens een kerkdienst. Dat gebeurt dan op de eerste zondag van de veertigdagentijd, wanneer de dopeling met een kruisteken op het voorhoofd wordt gezegend. Hiermee wordt de dopeling opgenomen onder de catechumenen: diegenen die als geloofsleerlingen catechese, ofwel leringonderwijs krijgen. Op de vierde zondag van de veertigdagentijd vindt de volgende stap plaats. De priester legt dan de handen op het hoofd van de dopeling, spreekt een gebed uit, raakt de oren van de dopeling aan en zalft zijn of haar handen. Zo is de dopeling voorbereid op de grote plechtigheid van de doop.

De doop zelf bestaat uit verschillende onderdelen. Allereerst klinkt de opdracht die Jezus gaf om alle volkeren tot zijn leerlingen te maken, hen te dopen en hen te laten onderhouden wat Hij had geboden. Vervolgens wordt er – als dat niet al eerder gebeurd is – water gewijd. De dopeling beantwoordt daarna een aantal korte vragen en belijdt samen met de gehele gemeente het geloof. Daarna vindt de eigenlijke doop plaats. De voorganger begiet driemaal het hoofd van de dopeling met gewijd water in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Vervolgens zalft de voorganger het hoofd van de dopeling met het heilig chisma (‘zalf’), een speciale olijfolie die gemengd is met geurige kruiden. Daarna volgen er nog twee bijkomende handelingen: de nu gedoopte krijgt een wit kleed omgehangen, als symbool van het witte kleed waarin Gods heiligen gekleed gaan. En hij of zij krijgt een doopkaars die aan de paaskaars – die bij een doop altijd brandt – wordt ontstoken. Met een hartelijke vredegroet en soms met bijval van de hele kerk wordt de gedoopte in Gods gemeente welkom geheten.