Liturgie in beeld: De voorganger bidt om zegen

Deze foto toont een bisschop die zijn handen uitgestrekt houdt met de handpalmen half omhoog en op een groep mensen gericht. Het is de zogenaamde orante-houding, letterlijk: gebedshouding, die al op fresco’s in catacomben uit de eerste eeuwen wordt aangetroffen. Ook in de Bijbel klinkt die houding door, bijvoorbeeld als Mozes zijn handen opheft om Israël de overhand te laten behalen in de strijd met de Amalekieten (Exodus 17,11). Of als Salomo zijn grote dank- en smeekgebed bij de inwijding van tempel van Jeruzalem tot JHWH God bidt (1 Koningen 8, 22 en 54), en in Psalm 141,2: “Laat mijn gebed voor U zijn als reukwerk, mijn geheven handen als een avondoffer.” Over de handpalmen wordt gesproken als Aäron en zijn zonen hun priesterlijke dienst uitvoeren. Zij moeten dan brood en andere gaven op hun handpalmen opheffen, als offergave aan JHWH God (Exodus 29,29; Leviticus 8,27-28).

In die gebedshouding kun je verschillende aspecten van het geloof herkennen. Het is allereerst een houding die ontvankelijkheid uitdrukt. De armen uitgestrekt geven een openheid aan voor wie of wat je tegemoet komt, de handpalmen omhoog duiden erop dat je iets hoopt te ontvangen. Die houding is daarmee ook een teken van nederigheid of bescheidenheid, want je geeft aan dat je ergens niet over beschikt, maar vraagt om het te ontvangen als gave van God. En gewoon praktisch is die houding ook, zeker voor een voorganger in een kerkdienst. Want het vermijdt dat je tijdens een gebed letterlijk onhandig overkomt, zelf niet goed weet wat je met je handen doen moet, of dat je iets anders doet – friemelen of duimen draaien bijvoorbeeld – dat niet strookt met het woord dat je spreekt en de intentie van wat je bidt. Die gebedshouding is dan ook niet voorbehouden aan de voorganger, want ook andere gemeenteleden heffen bij het bidden hun handen op, met name bij het gebed dat Jezus zelf ons heeft geleerd.

In de Bijbel worden handen ook geheven om te zegenen. Zo heft de verrezen Heer in Bethanië zijn handen om zijn leerlingen te zegenen en afscheid van hen te nemen (Lukas 24, vers 50). Over de handpalmen wordt daar niets gezegd, maar je zou denken dat die net zoals op de foto eerder naar beneden gericht zijn op degene die wordt gezegend. Want een zegen is niets anders dan een combinatie van woord en gebaar waarmee de verkondiging van Gods genade over iemand wordt afgesmeekt. De ontvanger van de zegen krijgt zo de kracht om de weg te gaan die hij of zij gaan moet, in het gelovige vertrouwen dat Christus de dood overwonnen heeft en Gods goede Geest ons naar ons einddoel leidt.