‘Na Pinksteren’ heten de meeste zondagen die nu komen. Ze hebben de liturgische kleur groen en toen ik als misdienaar opgeleid werd, was er de regel ‘groen, dan is er niets te doen.’ Kortom ‘gewone zondagen’, zonder veel bijzonders. Toch is deze tijd van het liturgische jaar onvermoed spannend. Want als je de achtergronden van het Pinksterfeest, de focus van deze bijdrage, meeneemt deze tijd in, dan kun je gaan zien hoe de kerk in het licht van Pinksteren als een “living lab”, een “levend laboratorium” van Gods toekomst is. Om dat te doen ga ik in op een paar aspecten van Pinksteren, verdiep dat door op termen als “eschatologie” en “apocalyps” in te gaan, en door een paar suggesties te doen voor de relevantie hiervan. Dat betekent even terugkijken – Pinksteren is al even geleden – om daardoor beter vooruit te kunnen kijken.
Pinksteren: Gods toekomst op aarde
“Pinksteren”, het Joodse feest “Shavuot” van de “zeven weken” (of “vijftig dagen” – het valt vijftig dagen, dan wel een week van weken na Pesach of Pasen), is oorspronkelijk een oogstfeest dat viert dat de ‘eerstelingen’ van de oogst er zijn. Het roept ook de associatie op met andere ‘eerstelingen’, zoals die van Gods toekomst. De lezing die het meest kenmerkend is voor het feest is die over de uitstorting van de Geest (Handelingen 2,1)-11. Hierin maken de leerlingen het volgende mee: “3Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.” (verzen 3-4) Het effect ervan is dat mensen uit allerlei windstreken in Jeruzalem hen kunnen verstaan, ze zeggen: “‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen?” (verzen 7-8) Het roept ook vragen op: “’12Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’” (verzen 12-13) Het verhaal geeft op deze vraag ook een antwoord in een toespraak van Petrus die niet op het liturgische programma staat maar wel van belang is.
Deze begint als volgt:
14Daarop trad Petrus naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe: ‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. 15Deze mensen zijn niet dronken, zoals u denkt; het is immers pas het derde uur na zonsopgang. 16Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël:
17“Aan het einde der tijden, zegt God,
zal Ik mijn Geest uitgieten over al wat leeft.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien
en oude mensen dromen dromen.
18Ja, over al mijn dienaren en dienaressen
zal Ik in die tijd mijn Geest uitgieten,
zodat ze zullen profeteren.
19Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven
en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook.
20De zon verandert in duisternis en de maan in bloed
voordat de dag van de Heer komt,
groot en ontzagwekkend.
Het centrale punt is dat Petrus hier de ervaring van de leerlingen duidt als iets dat te maken heeft met wat de profeet Joël (in Joël 2,28-32) gezegd heeft over het “einde van der tijden.” Je kunt dat wat Petrus zegt eigenlijk niet anders lezen dan dat hij zegt dat wat Joël aangekondigd heeft, nu gebeurt. Tenminste, dat is ten dele het geval: dat allerlei mensen profeteren en dat de Geest uitgestort wordt, is helder vanuit het eerdere verhaal. De meer dramatische dingen die daarna volgen, die gebeuren nog niet. Je zou dit kunnen lezen als iets dat erop wijst dat de vroegste gemeente zich in een spanning tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ bevond. De Geest, als een teken van het einde der tijden, was er al en was al ervaarbaar in de gemeente, en tegelijkertijd viel er ook nog wat te verwachten, het eigenlijke einde was nog niet helemaal gekomen, zelfs wanneer de tekenen ervan er al waren. Het is alsof de leerlingen van Jezus zoiets als ‘eerstelingen’ zijn van een oogst die nog uitstaat – iets wat goed zou passen bij het oogstfeest dat Pinksteren/Shavuot is (en dat ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt wordt; zo is Jezus in 1 Korintiërs 15,20 de ‘eersteling’ van degenen die uit de dood verrijzen). Als dat zo is, vraagt dat om wat verdere verdieping. Dat kan via de begrippen die al in de inleiding voorkwamen, namelijk ‘eschatologie’ en ‘apocalyps.’ Als je al weet wat die inhouden of als je liever gelijk door wilt met de interpretatie van Pinksteren kun je de toelichtingen hierover hierna ook overslaan.
Op één van mijn fietstochten door de polders en plassen ten noorden van Utrecht kom ik af en toe langs een huis dat “’t Einde” heet. Het staat dan ook aan het einde van een weg, de naam is zo heel passend. Maar dat is natuurlijk niet alles wat ermee bedoeld wordt: “’t Einde” kan ook “heerlijk” of “geweldig” betekenen, “dit uitzicht is het ’t einde!” of “deze pasta is echt ’t einde!” en ga zo maar door. Ik denk dat de bewoners er eigenlijk ook dat mee bedoelen. Het staat aan ’t einde (van een weg) en het is ook ’t einde in termen van woongenot. Met het nogal dreigende begrip “het einde der tijden” dat meestal met oordeel geassocieerd wordt, zit het ook ongeveer zo.
Met het “einde der tijden” wordt bedoeld dat de tijd waarin onze wereld bestaat aan zijn einde komt en Gods toekomst begint. Het is zo letterlijk ’t einde. Tegelijkertijd kun je ook zeggen dat het “einde der tijden” ook meer figuurlijk “’t einde” is omdat Gods toekomst iets prachtigs is, nauwelijks voorstelbaar en zeker iets dat niet te overtreffen valt. In christelijke theologie heet het nadenken hierover “eschatologie”, de leer (“logos” in het Grieks) van het einde (“eschaton” in het Grieks). Ik denk dat het belangrijk is om voor ogen te houden dat dit vooral iets positiefs is. Zeker, er komt ook een stuk oordeel bij kijken maar dat houdt in zijn kern toch in dat dat wat in deze wereld niet al in harmonie is met Gods toekomst geen plaats meer heeft – en ook dat dat wat in deze wereld wel al in harmonie met Gods toekomst is alle ruimte krijgt.
Voor reflectie op Pinksteren – en op de beweging die in de Geest ontstaat, de kerk zoals die voortkomt uit de gemeenschap van volgelingen van Jezus – betekent dit dat taal over het ‘einde der tijden’ zoals dat in Petrus’ toespraak en in de profetie van Joël iets heel veelbelovends is: het einde van een tijd waarin allerlei onrecht heerst en het aanbreken van een tijd waarin dat anders is.
Wat ik hierboven over eschatologie, de leer van het “einde der tijden”, heb gezegd, kun je nog een slag verdiepen door een ander Grieks begrip op te pakken: “apocalyptiek.” Ik denk dat het het bekendste is van films als “Apocalypse now” of van uitspraken dat het er na een ramp “apocalyptisch” uitziet. In allebei de gevallen roept het begrip “apocalyptiek” vooral de associatie met allerlei vreselijke dingen op. Dat heeft ook wel een reden: het bekendste boek dat ook apocalyps heet is de “Openbaring van Johannes”, het laatste Bijbelboek, en dat staat inderdaad vol met allerlei gruwelijke beelden (al is de inhoud ervan vaak een stuk minder gruwelijk maar dat voert voor hier te ver).
De link tussen apocalyps en “Openbaring van Johannes” is dat “openbaring” de vertaling van het Griekse woord “apocalyps” is, dat zoiets als “ontdekken” of “onthullen” betekent (“apo” is “ont-“ en “kalypto” is “verhullen”, dus “ontverhullen”: “onthullen”). Waar wij meestal vooral deze apocalyps of “openbaring” kennen is de Openbaring van Johannes een voorbeeld van een veel bredere literatuur met teksten uit het vroege Jodendom en Christendom waarin iets onthuld of geopenbaard werd, meestal via een ziener of visionair zoals Johannes. Er zijn apocalypsen van Adam, Enoch, Baruch, Abraham, Ezra, Jesaja, Petrus, Paulus, Thomas en nog heel wat meer.
Het model voor veel van deze literatuur is het Bijbelboek Daniël (vooral hoofdstukken 7-12). Als je die hoofdstukken erop na zou lezen, zou je ook ontdekken dat wat daar in visioenen onthuld wordt veel te maken heeft met de loop van de geschiedenis zoals die zich in de politiek van alledag lijkt te voltrekken en de loop van de geschiedenis zoals die eigenlijk is in Gods hand. Volgens veel wetenschappers geldt dat ook voor de Openbaring van Johannes. Wat er geopenbaard wordt, is bijvoorbeeld dat gelovigen die in vervolgingen omgekomen zijn – zoals de ontelbare menigte in Openbaring 7,14 die hun gewaden gewassen hebben in het bloed van het Lam – helemaal niet tot de verliezers van de geschiedenis behoren maar dat ze in Gods werkelijkheid zijn aangekomen. Ook allerlei conflicten die in de Openbaring van Johannes voorkomen, zoals die waarin het ‘getal van het beest’ (13,18; vermoedelijk wordt er keizer Nero mee bedoeld) en waar vaak behoorlijk heftige beelden bij horen zijn uiteindelijk bedoeld om aan te geven dat wat er ook gebeurt en hoe heftig het er ook aan toe gaat in de wereld, uiteindelijk de toekomst Gods toekomst is en dat je daarop kunt vertrouwen.
Waarom nu deze uitweiding over apocalyptiek? Omdat “apocalyptische” literatuur iets zegt over hoe de wereld er vanuit Gods perspectief uitziet, over wat en wie er voor God wel en niet toe doen, en vooral ook over wat en wie er wel of geen toekomst heeft, uiteindelijk. Dit is relevant voor het verstaan van Pinksteren omdat je zou kunnen zeggen dat door de Geest in de kerk al iets geopenbaard wordt over hoe “’t einde” eruit komt te zien. De kerk zou je dan zelf een stukje apocalyptiek kunnen noemen, ze maakt Gods toekomst present in het heden en door haar wordt iets geopenbaard van die toekomst.
De grote vraag is natuurlijk wat er dan zichtbaar wordt over die toekomst – en dat leidt weer naar de notie van een ‘living lab’ zoals dat in de titel van deze bijdrage staat.
Een ‘living lab’ van de toekomst
Wat het allemaal concreet inhoudt dat de eindtijd ervaarbaar wordt in het leven van de gemeente – en tegelijkertijd ook nog komen moet, is iets dat de lezer van de Handelingen van de Apostelen ontdekt wanneer deze het hele verhaal leest. Het beslaat allerlei thema’s die reiken van het experimenteren met een soort gemeenschap van goederen in de eerste hoofdstukken van Handelingen tot het opnemen van steeds meer soorten mensen in het godsvolk, van de Ethiopische eunuch (Handelingen 8) tot de Romeinse officier Cornelius (Handelingen 10) en nog veel meer. Dit zou je nog veel meer in detail kunnen uitwerken maar, als je de Handelingen van de Apostelen vanuit dit perspectief leest, merk je dat de gemeenschap in Gods Geest steeds bezig is met het opnieuw verkennen van de eigen grenzen, van de eigen mogelijkheden tot inclusie en dat altijd weer in combinatie met trouw aan God in Jezus Christus en gedreven door de Geest Want zij zijn het die op de contouren van Gods toekomst wijzen en dat ook blijven doen, zelfs wanneer vroege Christenen hier helemaal geen zin in hebben (zie de walging van Petrus in Handelingen 10, bijvoorbeeld, of ook de onderhandelingen over de inclusie van niet-Joden in Handelingen 15). Een gedetailleerde weergave hiervan gaat echter te ver voor deze bijdrage – het loont echter de moeite om lezingen uit de Handelingen van de Apostelen steeds vanuit dit perspectief te lezen. Ik wil echter nog wat meer ingaan op de gedachte van een ‘living lab’, een ‘levend laboratorium.’
Om mee te beginnen: Veel van wat ik hierboven beschreven heb, is in exegetische literatuur gemeengoed. Pinksteren is eschatologisch, de kerk is ook eschatologisch, en vroege Christenen zagen uit naar Gods toekomst en beleefden deze al in hun midden door al te leven alsof deze toekomst al gekomen was (en dat was hij natuurlijk ook, in Jezus Christus en de Geest). Zelf heb ik een paar redenen om dit onderwerp toch op te rakelen en voor het voetlicht te brengen.
Ten eerste, als je Pinksteren – en de kerk – zo verstaat als hierboven geschetst, gaat het bij allebei om meer dan om iets religieus dat losstaat van de werkelijkheid. Het is juist de eigenlijke werkelijkheid, Gods toekomst, die in de kerk present gesteld wordt. En dat werpt voor mij een ander licht op liturgie, diakonie en getuigenis, de drie hoofdbewegingen in het leven van de kerk. In alle drie de gevallen gaat het om iets dat veel verder gaat dan iets dat vooral mooi is of mooie gevoelens oproept, maatschappelijk nuttig en moreel verdienstelijk is, of politiek vormend en intellectueel uitdagend, om wat andere manieren te noemen om het vieren, dienen en publiek spreken van de kerk op een rijtje te zetten. In alles wat de kerk doet, licht, als het goed is (!) iets van Gods toekomst op. Dat is een experiment want je weet nooit precies hoe die toekomst er exact uitziet maar het is wel een andere – en wat mij betreft ook zinnige – benadering van wat de kerk is. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de kerk, in dienst genomen door de Geest, een sacrament van Gods toekomst is.
Ten tweede, de gedachte van de kerk als een ‘living lab’ van Gods toekomst benadrukt dingen als experiment en creativiteit. Het toeleven naar Gods toekomst vraagt om een houding die ingaat op het onbekende, die waagt te verkennen wat nog ongrijpbaar lijkt maar wat wel bij Gods koninkrijk lijkt te horen. Dat kun je makkelijk wegzetten als “woke”, zoals dat ook in de Oud-Katholieke Kerk wel eens gebeurt maar dat zou een misvatting zijn en ook bijzonder onbijbels: het radicaal omzien naar armen, het insluiten van mensen met een wat ongrijpbare seksualiteit of gender en zeker ook van mensen die niet tot je eigen “ras” behoren, het hoort er in de Handelingen van de Apostelen allemaal bij vanaf het allereerste begin (zie de opmerkingen over gemeenschappelijk bezit in Handelingen 2 en 4, bijvoorbeeld, en de roepingsverhalen van de Ethiopische eunuch en centurion Cornelius in hoofdstukken 8 en 9). Dat het om “experiment” gaat, betekent trouwens ook openheid voor correctie: een experiment is nooit definitief en sluit altijd – en dat is voor de kerk van groot belang – de mogelijkheid tot bijstelling, correctie, en zelfs bekering in.
Ten derde, en voortbouwend op het vorige punt: dit verstaan van de kerk laat de kerk ook verschijnen als een vorm van verbeelding en wel van verbeelding van Gods toekomst, weer in haar vieren, dienen en getuigen. Dit kan bij het eigen begrip van de kerk helpen – de kerk is zo, hoewel ook altijd instituut, ook meer dan alleen maar een bureaucratie! – en het kan helpen om kerk en theologie te laten aansluiten bij gesprekken over de verbeelding van de toekomst überhaupt zoals die in het antropoceen hoognodig zijn. De kerk heeft al zo’n 2000 jaar ervaring met de experimentele, sociale, belichaamde verbeelding van de toekomst, waarom zou je dat niet willen inbrengen?
Ten vierde, iets wat nog wat impliciet gebleven is in al het voorafgaande is dat het onderwerp van de kerk als een eschatologisch en apocalyptisch fenomeen ook iets doet met je omgang met tijd. Je kunt je, kort gezegd, op drie manieren in de tijd positioneren: gericht op het verleden, op het heden en op de toekomst – en natuurlijk hangen die drie samen. Echter, een principiële gerichtheid op Gods toekomst (ook wanneer die gevoed wordt door oude profetieën zoals die van Joël of een ook oude tekst als de Handelingen van de Apostelen) heeft invloed op hoe je in het leven staat. Als de toekomst is wat echt telt, dan kan dat vrijheid opleveren ten opzichte van het verleden en het heden. Je bent, ten diepste, niet dat waar je vandaan komt of wat je nu bent, maar toekomstige burger van Gods toekomstige wereld. Dat kan bevrijdend zijn – en als het dat niet is: het maakt je tenminste bewust van de invloed die je relatie tot heden, verleden en toekomst op je leven heeft.
Tenslotte, ik denk ook dat deze benadering helpt om een wat abstract gegeven als ‘eschatologie’ concreet te maken. Wie ‘eschatologie’ of ‘apocalyps’ zegt, kan makkelijk al snel aan allerlei verschrikkingen denken. Of aan wat erg esoterische en sektarische soorten christendom. Wanneer je de kerk zelf, in Gods Geest, als een stukje van Gods toekomst, het ‘einde’ of ‘doel’ belichaamt, wordt het allemaal een stuk concreter. Apocalyptisch? Dat is de kerk, net zoals ze eschatologisch is, in haar vieren, dienen en getuigen, omdat ze, gedreven door de Geest, de wereld zichtbaar maakt zoals die eigenlijk is en dus ook zal zijn.
Peter-Ben Smit is hoogleraar contextuele Bijbelinterpretatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en bijzonder hoogleraar vanwege het Oud-Katholiek Seminarie aan de Universiteit Utrecht.

