Overweging in de dienst van de intronisatie van bisschop Erna

11 oktober 2026, Haarlem Gelezen in de vespers: Ezechiël 36:24-28

De schriftlezing van vandaag, ook bekend als de zesde schriftlezing uit de Paaswake, heeft me vaak geraakt. En wat me dan raakt in de tekst is om te beginnen het plompverlorene; hup, je stenen hart eruit en een levend hart erin. Het is zo in tegenspraak met wat vaak onze ervaring is, en hoe we ook vaak denken over de vraag of een versteend hart nog wel kan veranderen, of dat een gebroken hart ooit zou kunnen genezen. Het heeft tijd nodig, zeggen we dan. Er blijven littekens over, je kunt er mee leren omgaan. Het wordt niet meer zoals het was, maar het wordt nog wel wat beter.

Ezechiël wijst ons hier echter op een andere ervaring, die we ook zouden kunnen herkennen: dat het licht kan doorbreken in je leven zónder een lang en moeizaam proces, zonder dat je er zelf hard voor moest werken, en dat nieuwe levenskracht, nieuwe hoop en genezing je zomaar kunnen overvallen op een moment dat je dat helemaal niet had verwacht. Zo werden de vrienden en vriendinnen van Jezus verrast door de opstanding van hun Heer, en later nogmaals door de gave van de Geest. Met name over die dag van Pinksteren wordt verteld van die plotselinge ommekeer in het hart van de vrienden van Jezus: van angst en onzekerheid naar vreugde en vrijmoedigheid. Het is maar één van de verhalen in de Schrift waarin verteld wordt over de overvloedige genade van God, die nooit de verdienste van de mens is maar die getuigt van Gods onmetelijke grootheid.

De lezing van vandaag is dus een bijzonder hoopvolle tekst in een bijbelboek dat echt niet overal zo hoopvol en lieflijk is. Ezechiël staat op zijn eigen wijze in de traditie van de profeten die de mensen een ongemakkelijke waarheid zeggen: Zo confronteert Ezechiël het volk in niet mis te verstane woorden met hun fouten: dat ze andere goden hebben vereerd en de ene God de rug hebben toegekeerd, dat ze het recht van de zwakken hebben vertrapt, dat ze niet goed hebben gezorgd voor wie zorg nodig heeft, dat ze uit waren op macht en rijkdom en vreemdelingen hebben uitgebuit. Vanwege al deze zonden is het beloofde land uit het zicht geraakt: als ballingen zijn ze eruit weggevoerd. Naar aanleiding van al deze zonden zegt Ezechiël uit naam van de Eeuwige: jullie hart is versteend geraakt, verhard tegenover God, tegenover wie zwakker staat, tegenover vreemdelingen en ieder die anders is.

Het zijn woorden die in mijn oren een enorme actualiteit hebben in onze dagen waarin zovelen zich zorgen maken over de verharding en de polarisatie van de samenleving. Steeds meer klinken er hardop woorden tegen allerlei minderheden en tegen vluchtelingen die nog niet zo heel lang geleden volkomen ondenkbaar waren. Het zijn woorden die aan tijden van oorlog en vervolging doen denken, waarvan we toch zo vaak gezegd hebben: dat nooit meer! Steeds meer lijken groepen mensen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Onbekend maakt onbemind. Veel mensen maken zich hier zorgen over. En dus wordt er veel nagedacht over hoe we polarisatie en verharding kunnen tegengaan. Het is een probleem dat in de hele samenleving speelt. Een probleem dat ook door de kerken heen speelt.

Terwijl antwoorden en oplossingen niet makkelijk te vinden zijn valt de lezing van Ezechiël als een geschenk in ons midden. Ik, zegt de Heer, Ik zal het aan jullie doen geschieden, Ik zal jullie mijn Geest geven, ik zal het versteende hart uit jullie binnenste halen en er een levend hart voor in de plaats geven. We mogen ons optrekken aan dit Woord, waarin een nieuwe openheid beloofd wordt, nieuwe wegen tot vriendschap en verbondenheid, ook waar dit menselijk gezien bijna ondoenbaar of onmogelijk lijkt. Zo worden wij gedragen door het geloof in Gods kracht die in ons werkt en bij machte is overvloedig te doen boven al wat wij vragen of denken.

Mijn wapenspreuk wil een beaming zijn van wat God in Ezechiël 36 aan mensen belooft: Steeds herschept Gij ons hart. Ik heb dat in mijn leven ook mogen ervaren, op grote en in kleine momenten. De spreuk bevat ook een verwijzing naar Gods schepping als iets dat niet is afgerond maar als iets dat doorgaat; God blijft scheppend met ons bezig, Hij vernieuwt ons leven en maakt bekering mogelijk.

Ook voor het leven in de parochies is dat belangrijk. Zeker als ons hart ook wel eens ineenkrimpt, en dat gebeurt ook wel eens in het kerkelijk leven, als we botsingen, teleurstelling of frustratie ervaren. Of als parochies in zwaar weer terechtkomen of er soms zelfs een kerk moet sluiten. Dwars daardoorheen klinkt toch die belofte van nieuwe Geest, nieuwe adem. Vertrouwend op de Heer die ons leven vernieuwt kunnen we daarom hoopvol naar de toekomst kijken, met onze parochies als heilzame plaatsen voor ieder die daar binnen wil lopen: omdat er ruimte is voor de ontmoeting met de Eeuwige die gebroken harten heelt, vermoeide harten rust geeft en versteende harten herschept.

Levend vanuit het vertrouwen dat God ons hart herschept betekent dan niet alleen dat we zelf Gods Geest en nieuwe hoop kunnen ontvangen; het maakt ook dat we steeds op een nieuwe manier kunnen kijken naar de mensen om ons heen. Ieder mens is een mens van wie het hart door God kan worden herschapen. Zo kunnen we een mens in nood en verdriet benaderen vanuit het geloof dat zijn of haar hart kan worden herschapen. Ook als dat geloof, vanwege die naaste, nog beter onuitgesproken kan blijven. En zo mogen we ook de mensen waarmee we moeite hebben of die ver van ons af staan zien als mensen van wie het hart kan worden herschapen. Alleen al deze houding zou wel eens een wereld van verschil kunnen maken.

Moge het vertrouwen op die onverwacht herscheppende God ons leven en ons werken dragen. Amen.